Ze vinden iedere keer nieuwe manieren om meer belasting te innen.

De eerste brieven vallen binnenkort weer op de mat en voor veel huishoudens belooft dat weinig goeds. Met het Belastingplan 2026 dat per 1 januari ingaat, schuiven tarieven en percentages opnieuw op. Dat raakt niet alleen mensen met een groot vermogen, maar ook doorsnee spaarders, beleggers en huizenbezitters met wat overwaarde. Het beeld dat alleen “de rijken” meer gaan betalen, houdt bij nadere bestudering geen stand.

Wat op papier technisch en beleidsmatig klinkt, vertaalt zich in de praktijk naar een hogere belastingdruk voor miljoenen Nederlanders. Wie een buffer heeft opgebouwd, wat aandelen bezit of simpelweg spaart voor later, merkt dat de fiscus steeds nadrukkelijker meekijkt. De vraag is niet meer of, maar hoeveel extra er moet worden afgedragen.

Box 3 blijft zorgenkind voor spaarders en beleggers

De vermogensrendementsheffing in box 3 blijft ook in 2026 gebaseerd op een forfaitair rendement. Voor beleggingen en overige bezittingen, zoals aandelen, crypto of een tweede woning, wordt dat percentage vastgesteld op 6,00 procent. In 2025 lag dit nog op 5,88 procent, wat betekent dat de fictieve opbrengst verder stijgt.

Spaargeld wordt voorlopig belast tegen een forfait van 1,28 procent. Dat lijkt laag, maar blijft fictief. Wie minder rente ontvangt dan de inflatie, ziet zijn koopkracht dalen terwijl de Belastingdienst uitgaat van rendement. Schulden zijn aftrekbaar tegen 2,70 procent en het heffingsvrije vermogen stijgt naar 59.357 euro per persoon.

Dat heffingsvrije vermogen van 118.714 euro voor fiscale partners oogt als een kleine meevaller, maar voor veel huishoudens is dit onvoldoende om de hogere fictieve rendementen te neutraliseren. Ongeveer 2,5 miljoen huishoudens komen boven deze grens uit en krijgen daardoor met de volle heffing te maken.

Het tarief in box 3 blijft 36 procent. Bij een forfaitair rendement van 6 procent betekent dat effectief 2,16 procent belasting over het vermogen in beleggingen. Zelfs wanneer een portefeuille nauwelijks groeit of tijdelijk in waarde daalt, wordt er belasting geheven alsof er winst is gemaakt.

Belasting over inflatie voelt als dubbele klap

Voor pure spaarders is de situatie wrang. Als de spaarrente achterblijft bij de inflatie, daalt de reële waarde van het vermogen. Toch wordt belasting geheven over een fictief rendement. Het resultaat is dat spaargeld in koopkracht krimpt, terwijl de fiscus uitgaat van groei.

Beleggers met aandelen of vastgoed lopen tegen een vergelijkbaar probleem aan. De markten kunnen grillig zijn, maar het forfaitaire systeem kent weinig nuance. Een slecht beursjaar of tegenvallende huurinkomsten veranderen niets aan het vastgestelde percentage waarover belasting wordt berekend.

Daarnaast hangt er een grotere hervorming boven de markt. Vanaf 2028 wil het kabinet overstappen naar een systeem op basis van werkelijk rendement. Daarbij wordt ook gekeken naar ongerealiseerde koerswinsten. De contouren zorgen nu al voor onrust, omdat dit extra administratie en onzekerheid met zich meebrengt.

Voor 2026 geldt dat de huidige systematiek blijft bestaan, maar met aangescherpte percentages. De opmaat naar een nieuw stelsel is voelbaar. Meer formulieren, meer discussie en vooral hogere rekeningen voor wie boven de vrijstelling uitkomt.

Inkomstenbelasting en premies drukken zwaarder

De lastenstijging beperkt zich niet tot vermogen. Ook in de inkomstenbelasting wordt slechts een deel van de inflatiecorrectie doorgevoerd, namelijk 52,8 procent. Dat betekent dat belastingschijven minder meebewegen met de loonontwikkeling, waardoor meer mensen sneller in een hoger tarief terechtkomen.

Voor middeninkomens speelt daarnaast de afbouw van toeslagen een rol. Wie iets meer verdient, ziet vaak een groter deel van zorg- of huurtoeslag verdwijnen. De combinatie van hogere tarieven en minder tegemoetkomingen zorgt ervoor dat netto minder overblijft.

Premies voor sociale verzekeringen stijgen eveneens, wat vooral werkenden merken op hun loonstrook. Het verschil lijkt per maand beperkt, maar op jaarbasis telt het op. Voor huishoudens met weinig financiële ruimte kan dat het verschil maken tussen sparen of interen op reserves.

Daar komt bij dat werkgevers ook hogere lasten ervaren. Die worden niet altijd intern opgevangen, maar vaak doorberekend in prijzen of via gematigde loonstijgingen. Zo werkt een belastingverhoging indirect door in de hele economie.

Accijnzen en prijzen in het dagelijks leven

Accijnsverhogingen op brandstof, tabak en energie maken het dagelijkse leven duurder. Ook wanneer iemand geen vermogen in box 3 heeft, wordt de portemonnee geraakt bij het tanken, het afrekenen in de supermarkt of het betalen van de energierekening.

Bedrijven zien hun eigen kosten stijgen door fiscale maatregelen en strengere regels. Die extra lasten worden doorgaans verwerkt in de verkoopprijzen. Zo betalen consumenten indirect mee aan de begrotingsopgaven van de overheid.

Zelfs producten die niet direct onder een accijns vallen, kunnen duurder worden door hogere transport- en energiekosten. Het effect is breed. De koopkracht van huishoudens staat daardoor onder druk, terwijl het gevoel ontstaat dat er steeds minder grip is op vaste lasten.

De overheid verdedigt deze stappen met verwijzing naar begrotingsdiscipline en maatschappelijke doelen. Tegelijkertijd groeit bij veel burgers het idee dat de rekening onevenredig bij werkenden en spaarders terechtkomt.

Gevoel van ongelijkheid tussen boxen

Een terugkerend punt in het debat is het verschil tussen box 2 en box 3. Ondernemers met een besloten vennootschap vallen onder een ander regime. Zij kunnen winst in de BV laten zitten en pas bij uitkering dividendbelasting betalen, wat vaak als gunstiger wordt ervaren.

De doorsnee Nederlander met een spaarrekening of wat aandelen in privévermogen valt onder box 3 en heeft minder mogelijkheden om te schuiven met inkomsten. Dat voedt het gevoel dat er met twee maten wordt gemeten.

Politici benadrukken solidariteit en herverdeling, maar de praktijk is voor veel huishoudens tastbaar in hogere aanslagen. Wie geen fiscale adviseur of ingewikkelde constructie heeft, betaalt simpelweg volgens de standaardregels.

Tegelijkertijd is het eerlijk om te erkennen dat ook hogere inkomens en grote vermogens bijdragen via andere heffingen. Het debat gaat dus niet alleen over cijfers, maar ook over perceptie en vertrouwen in het systeem.

2026 als kantelpunt voor belastingdruk?

Met de optelsom van hogere forfaits, beperkte inflatiecorrectie en stijgende accijnzen lijkt 2026 een jaar waarin de totale belastingdruk verder oploopt. Dat geldt voor werkenden, spaarders en huiseigenaren die hun vermogen langzaam hebben opgebouwd.

Voor sommigen is dit aanleiding om hun financiële strategie te heroverwegen. Extra aflossen, anders beleggen of minder risico nemen zijn opties die vaker worden besproken. Tegelijkertijd zijn niet alle huishoudens in staat om flexibel te schakelen.

Het maatschappelijke gesprek over rechtvaardigheid en betaalbaarheid zal hierdoor waarschijnlijk aan kracht winnen. De vraag hoe belasting eerlijk wordt verdeeld, blijft actueel en raakt aan vertrouwen in politiek en overheid.

Een stabiel belastingstelsel is van belang voor zowel burgers als ondernemers. Transparantie en voorspelbaarheid kunnen helpen om onrust te verminderen. De komende jaren zal blijken of de gekozen koers leidt tot meer evenwicht of juist tot verdere discussie.

Wat vaststaat, is dat 1 januari 2026 voor veel Nederlanders geen neutrale datum is. Het moment markeert een nieuwe fase in de fiscale druk die voelbaar is in de maandelijkse uitgaven. Het is verstandig om tijdig inzicht te krijgen in de eigen situatie en het gesprek hierover open te voeren. Praat mee, deel ervaringen en laat weten hoe deze veranderingen in jouw huishouden uitpakken.