In Nederland houden we van levensverhalen die bewijzen dat talent, volharding en een beetje bravoure genoeg kunnen zijn om geschiedenis te schrijven.
Zeker wanneer dat verhaal begint in een bescheiden arbeiderswijk, zonder glamour of grootse verwachtingen. Soms is één opvallende persoonlijkheid al genoeg om generaties lang te blijven hangen.
In de jaren veertig werd in Rotterdam zo’n jongen geboren. Een enig kind, opgegroeid in Delfshaven, in een gezin waar nuchterheid en eenvoud vanzelfsprekend waren.
Zijn vader werkte bij de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij, zijn moeder hield het huishouden draaiende. Luxe was er niet, verbeeldingskracht des te meer.
Een jongen die plezier wilde maken
Al vroeg bleek dat hij iets had wat anderen meteen opviel. Hij wilde mensen laten lachen. Niet af en toe, maar altijd. Op school was hij degene die imitaties deed, liedjes playbackte en kleine acts verzon. Zijn rode haar en open gezicht maakten hem herkenbaar en zijn timing was opvallend scherp voor zijn leeftijd.
Docenten zagen vooral een levendige leerling. Klasgenoten zagen iemand die sfeer bracht. Zelf voelde hij al snel dat muziek, theater en optreden geen hobby waren, maar een richting. Een toekomst, al wist niemand toen hoe groot die zou worden.
Vastbijten zonder vangnet
Na de schooltijd volgde een opleiding tot machinebankwerker. Een veilige keuze, passend bij de tijd en de verwachtingen. Maar ondertussen bleef hij brieven schrijven naar omroepen. Keer op keer. Afwijzingen kwamen vaker dan uitnodigingen, maar stoppen was geen optie.
In 1964 viel alles samen. Hij deed mee aan de talentenjacht Nieuwe Oogst van de AVRO en won. Met imitaties, zang en een vanzelfsprekende komische flair liet hij zien dat hij meer was dan een leuk talent. Dat moment bleek een kantelpunt.
Vanaf dat moment kende heel Nederland zijn naam: André van Duin.

De opkomst van een volkskomiek
Wat volgde was een carrière die nauwelijks in één vakje te plaatsen is. Televisieshows, revues, theaters, liedjes en films. Van Duin deed het allemaal. Zijn humor was direct, toegankelijk en herkenbaar. Geen ingewikkelde grappen, maar situaties waarin iedereen zichzelf kon terugzien.
Collega’s prezen zijn timing en discipline. Het publiek voelde vooral warmte. Dat leverde hem de bijnaam volkskomiek op, een titel die hij nooit ironisch droeg. Hij speelde ermee, maar nam het vak altijd serieus. Achter de vrolijkheid zat precisie en ervaring.
Achter het lachen schuilt ook verlies
Wie hem alleen kent van de sketches, ziet niet altijd de andere kant. In 2020 verloor hij zijn man Martin Elferink aan botkanker. Een periode van groot persoonlijk verdriet, waar hij open over sprak. Geen drama voor de camera, maar eerlijke woorden over rouw en gemis.
Juist die openheid gaf zijn latere werk extra lading. Humor bleef, maar werd aangevuld met rust, reflectie en soms ontroering. Voor veel kijkers maakte dat hem alleen maar menselijker.
Nog altijd relevant
Na meer dan zestig jaar is hij nog steeds aanwezig. Niet omdat hij moet, maar omdat mensen hem willen zien. Zijn oude werk blijft circuleren, nieuwe projecten worden met nieuwsgierigheid ontvangen. Jongere generaties leren hem kennen via herhalingen, oudere generaties groeiden met hem op.
Zijn kracht zit niet alleen in grappen of liedjes, maar in herkenning. Een Rotterdamse jongen die nooit vergat waar hij begon en die met humor de boel net iets lichter maakte. Dat blijkt een formule die de tijd moeiteloos doorstaat.
Wat maakt zo’n carrière blijvend? Misschien juist dat er nooit afstand kwam tussen artiest en publiek. Geen grootspraak, geen pose. Gewoon iemand die plezier maakt, al decennialang. Deel vooral je herinneringen of favoriete momenten en praat mee.
Bron: nl.newsner.nl