Al sinds 1695 op tafel: het Nederlandse toetje dat bijna iedereen onder de 50 vergeten is

Hoor je het woord watergruwel en zie je meteen een dampend, roze-rood schaaltje voor je? Dan ben je waarschijnlijk opgegroeid in een tijd dat dit toetje na de zondagse hap heel gewoon was.

De naam klinkt onheilspellend, maar laat je niet foppen. Wie het ooit van oma op tafel kreeg, weet dat dit gerecht juist fris, zacht en lief zoet smaakt.

Een toetje met een gruwelijke naam (die niets gruwelijks betekent)

Het is een misverstand dat veel mensen maken: ‘gruwel’ in watergruwel heeft niets te maken met afgrijzen of iets engs. Het is een oud Nederlands woord voor pap, meer specifiek gortepap.

In het Engels herken je het nog terug in ‘gruel’, een dunne graanbrij. Watergruwel betekent dus letterlijk niet meer dan ‘waterpap’. Wel zo geruststellend als je twijfelt om een hap te nemen.

Volgens Wikipedia werd er al in 1695 over gepubliceerd. Het is dus geen recept van vorige eeuw, maar van eeuwen daarvoor. Generaties Nederlanders zijn ermee opgegroeid.

Krentjebrij of watergruwel: dezelfde brij, andere naam

In het noorden van Nederland kennen ze het toetje vooral als krentjebrij. In Friesland spreekt men ook wel van pareltsjebrij of krintsjebrij. In de rest van het land is watergruwel de meest gebruikte naam.

Het gerecht was lang vooral populair op het Nederlandse platteland in Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland en het noorden van Limburg. Tot ruim na de Tweede Wereldoorlog stond het er regelmatig op tafel.

Daarna verdween het langzaam uit beeld. De vla, de yoghurt en het pak pudding namen het over. En zo werd watergruwel een toetje van oma, en niet meer van de gemiddelde Nederlandse keuken.

Wat zit er eigenlijk in?

De basis is meestal parelgort, een graanproduct van gepelde gerstekorrels. Soms wordt boekweit gebruikt. Daar voeg je water, bessensap, suiker, krenten en rozijnen aan toe.

Een stukje citroenschil en wat kaneel maken het af. Dat zorgt voor die typisch frisse, kruidige smaak die zo herkenbaar is. De rode kleur komt simpelweg van het bessensap.

Vroeger was watergruwel veel meer werk dan nu. De gort moest een dag weken en daarna uren koken. Tegenwoordig kun je vluggort gebruiken en is het in iets meer dan een uur klaar.

Warm of koud, allebei mag

Een leuk weetje: je kunt watergruwel zowel warm als koud eten. Vroeger werd het in de zomer gemaakt, als de bessen net rijp waren. Een dampend bord op een koude winteravond kan ook prima.

De smaak is een combinatie die je niet snel ergens anders tegenkomt. Het zoete van de rozijnen en krenten, het lichte zuur van het bessensap en de citroen, en de warme kruidigheid van de kaneel. Eenvoudig, maar van een ander tijdperk.

Waarom je dit toetje nu bijna nergens meer ziet

Watergruwel paste bij een tijd waarin er thuis nog werd gekookt met wat in de voorraadkast lag: een zakje gort, een fles bessensap, een handje krenten. Snelle toetjes uit de supermarkt waren er nog niet of nauwelijks.

Met de opkomst van kant-en-klaar-toetjes verdween de noodzaak om uren in de keuken te staan voor een nagerecht. Watergruwel werd zo iets nostalgisch, een gerecht dat vooral nog in oude kookboeken te vinden is.

Toch duikt het de laatste jaren weer op in foodblogs en streekrestaurants. Vooral in het noorden, waar krentjebrij nooit echt is weggeweest. Tijdens dorpsfeesten en oogstdagen staat de pan soms gewoon weer op het vuur.

Een blik in oma’s voorraadkast

Wat watergruwel zo typisch maakt voor zijn tijd, zijn de ingrediënten. Krenten, rozijnen, gort en bessensap stonden in vrijwel elke voorraadkast. Het was eten van wat je in huis had, niet van wat je net even uit de winkel haalde.

Het paste ook bij de zuinige keuken van toen. Met een handvol gort en een scheut sap kon je een hele tafel mee bedienen. Voedzaam, vullend en betaalbaar. Dat soort gerechten kwamen niet zomaar de oorlog door.

Herken jij het nog van vroeger?

Voor wie geboren is voor 1975 is watergruwel vaak een directe terugreis naar de keuken van oma of moeder. De geur van kaneel, het tikken van de lepel tegen het schaaltje, de stille zondagmiddag.

Voor jongere generaties is het juist een ontdekking. Een toetje dat al eeuwen bestaat, met een naam die schrik aanjaagt en een smaak die dat helemaal niet doet. Misschien wel het mooiste van een ouderwets recept: dat het gewoon nog werkt.

Of je nu krentjebrij zegt of watergruwel, of zelfs pareltsjebrij: het blijft een schaaltje vol Nederlandse keukengeschiedenis. En als je het nog nooit hebt geproefd, weet je nu in elk geval waar je het over hebt als oma er weer over begint.

Bron: Zelfmaak Ideetjes